Verslag flora-excursie Hohnbachdal IVN Kerkrade.
Op zondag 30 maart vertrokken 20 deelnemers aan de
flora-excursie van IVN Kerkrade die onder leiding stond van Olaf
Op den Kamp ’s
morgens om 9.00 uur uit Kerkrade.
Via Vaals en Gemmenich werd het
Belgische Kelmis bereikt. De auto ’s werden geparkeerd bij
de Casinoweiher, een voormalig stuwmeer van de zinkindustrie. Langs
de grote weg werd eerst een Jugendstil gebouw bekeken waar in het
verleden de directie van de zinkfabriek Vieille Montagne had gezeten.
 Daarna werd begonnen met de excursie. Eerst werd bij de stortberg
van de zinkindustrie gekeken naar Zinkboerenkers (Thlaspi caerulescens
ssp. calaminare), die al in bloei stond. Ook stonden er andere
planten die typisch zijn voor zinkhoudende grond zoals Engels
gras (Armeria
maritima), maar dat bloeide nog niet. Aan de voet van de helling
waren enkele van de ongevaarlijke Vroege zandbijen (Andrena vaga)
al actief. Deze solitaire bijen maken kleine holletjes in de grond
waarin ze voedsel stoppen en er eitjes op leggen.
Bij de Geul werd uitkijk gehouden naar bijzondere vogels zoals
Waterspreeuw (Cinclus cinclus), Grote gele kwikstaart (Motacilla
cinerea) en IJsvogel
(Alcedo atthis). Toen de hoop om iets te zien al vervlogen was,
schoot opeens een blauw-oranje flits aan ons voorbij. Een IJsvogel
die met
grote snelheid over de Geul richting Casinoweiher wilde vliegen
was geschrokken van al die verrekijkers die in zijn richting gericht
waren.
Langs de Geul groeide Bleke schubwortel (Lathrea squamaria) aan
de voet van enkele bomen. Door de vorst van de afgelopen week waren
veel planten helemaal wit uitgeslagen. Normaal zijn ze licht roze
van kleur. Ook stonden er nog de oude stengels van Wilde judaspenning
(Lunaria rediviva). Deze zijn maanvormig en dragen in het Duits
de
typerende naam “Silberblatt”. Als ze in de zon heen en
weer bewegen lijken ze inderdaad wel van zilver te zijn.
Nu bergop, hetgeen met de kinderwagen van de jongste zoon van de
gids niet zo heel gemakkelijk was. Daar stond het helemaal vol
met Bosanemoon (Anemone nemorosa). Ertussen bloeiden ook enkele
Gele
anemonen (Anemone ranunculoides). Her en der groeiden polletjes
Vingerhelmbloem (Corydalis solida). Deze zijn goed te herkennen
aan de handvormige
schutbladeren tussen de bloemen.

De weg werd vervolgt door een smalle graft om uit te komen in
een weiland hoog boven het dal. Hier had men prachtig uitzicht
op de
bekende brug van Moresnet. Voor ons, aan de voet van de helling,
lag het enorme terrein waar vroeger de zinkindustrie had gelegen.
Van bovenaf leek het inderdaad een enorm complex te zijn geweest.
In het weiland ligt een onbemeste rand. Deze is waarschijnlijk
te schuin om met de tractor te berijden en hier groeiden dus
nog allerlei
leuke voorjaarsbloeiers. Onder meer Kluwenhoornbloem (Cerastium
glomeratum), Vroegeling (Erophila verna), Kleine veldkers (Cardamine
hirstuta)
en Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus). Daarna werd koers gezet
naar de voormalige spoorlijn van de zinkindustrie. Hierlangs
bloeide ook veel Zinkboerenkers. Dat kan omdat de spoordijk is
opgehoogd
met slakken van de zinkindustrie. Via de spoorlijn werd het eigenlijke
dal van de Hohnbach bereikt. In de berm links begon de Vingerzegge
(Carex digitata) net te bloeien. Zeggen zijn goed herkenbaar
aan hun driekantige stengel. Iets verderop begon aan de voet
van de
helling een fraai broekbos waar het heel zompig was. Hier bloeiden
Dotterbloemen
(Caltha palustris) tussen de Zwarte elzen (Alnus glutinosa).
Tussen het struweel aan de rand van het pad groeiden de groene
bladeren van Herfsttijloos (Colchicum autumnalis). Deze soort
profiteert net
als de andere voorjaarsbloeiers van het licht dat in het vroege
voorjaar nog op de bosbodem aanwezig is om zijn fotosynthese
te voltooien.
De bloei heeft de plant echter uitgesteld tot de nazomer en herfst.
In het haagbeukenbos viel op dat de bomen vaak meerdere stammen
hebben. Dit is het gevolg van het hakhoutgebruik waarbij de bomen
uit de
stronk steeds opnieuw uitliepen. Er is echter al lange tijd geen
hakhout meer gekapt en dus zijn er inmiddels weer dikke, meerstammige
bomen opgekomen. Ertussen bloeiden Slanke sleutelbloemen (Primula
elatior) en enkele 1000-en Bosanemonen. Er werd zelfs een Rood
peperboompje (Daphne mezereum) ontdekt.
De tocht ging verder over het spoorlijntje in de richting van
de zinkmijnen. Eerst werd de ingang van de G. Auenberg bekeken.
Hier
liep nog grondwater naar buiten. Voor de ingang stond een hekwerk
om ongewenste bezoekers buiten te houden en de overwinterende
vleermuizen rust te gunnen. Op de dalbodem stonden in het moeras
de grote horsten
van Pluimzegge (Carex paniculata).

Midden op het pad werd nu een bijzonderheid ontdekt. Zinklepelblad
(Cochlearia pyrenaica) dat net niet bloeide. Deze plant groeit
hier eigenlijk min of meer toevallig op zinkhoudende grond. Het
is namelijk
geen echte zinkplant, maar een moerasplant die in brongebieden
voorkomt. Ertussen groeide ook Zinkboerenkers.

Vlak voor de zinkweiden werden vele honderden bloeiende Wilde
narcissen (Narcissus pseudonarcissus ssp. pseudonarcissus)
ontdekt. Deze
stonden nog net in bloei omdat alles dit jaar veel vroeger
dan anders is.
Bij de zinkweide ligt de ingang van een andere zinkmijn,
Schmalgraf.
Op de zinkweide vleide het gezelschap zich neder voor een
picknick. Hier was het in het zonnetje aangenaam vertoeven.
En dat gold
niet alleen voor ons, maar ook voor een Levendbarende hagedis
(Lacerta
vivipara) en een Dagpauwoog (Inachis io) die zich lieten
zien. Helaas bloeiden de Zinkviooltjes (Viola lutea ssp.
calaminaria)
nog niet.
Toen de tocht werd voortgezet kwamen we langs fraaie rotsen
van Ondercarbonische blauwsteen. Aan de voet van de helling
stond
Bosgeelster (Gagea lutea)
nog net te bloeien. 
Even verderop
was de helling vol met Wilde narcissen, hoewel ze hier ook al ver
uitgebloeid waren. Door
een weiland en
daarna door een stegel verder het bos in. In het bos werd
een klein stukje extra gelopen om te kijken naar de vele bloeiende
Wilde
narcissen en Bosgeelsterren. Daarna liepen we verder door
het
bos om enkele
karstkloven te passeren. Dit zijn een soort langgerekte dolines.
Dolines zagen we ook in het weiland waar we verder doorheen
liepen.
Uiteindelijk kwamen we uit bij de Eyneburg, een Middeleeuws
ogend kasteel waar ook mensen in Middeleeuwse kleding rondliepen.
Hier
werd wederom een pauze ingelast waarbij op het terras een
kop koffie, glas fris of bier werd genuttigd. Daarna nog
door het
Geuldal verder.
Hier groeiden op enkele dode takken prachtige Rode kelkzwammen
(Sarcosphyca coccinea).
Niet veel later werd de Casinoweiher en de auto weer bereikt.
Het was een geslaagde dag, waarbij veel nieuwe en bijzondere
planten
waren ontdekt en bewonderd.
|