IVN-district
Limburg

     
    Contact-info
                                
IVN Nuth
Agenda:
  Activiteiten
Organisatie:
  Bestuur
  Doelstelling
  Lid worden
Werkgroepen:
   Overzicht




 


 

 

 

Bijzondere omstandigheden, bijzondere planten en dieren.

Door de lage ligging van het centrale deel, door kleilagen in bodem en door de aanwezige steile hellingen treedt er zeer veel kwel in dit gebied op. Zo zijn er meer dan 100 bronnen geteld. Zoals hierboven al uitgelegd werd, verzakt het gebied als gevolg van mijnbouwactiviteiten, waardoor het nog moerassiger wordt. In het oosten is het opwellende water kalkrijk, elders kalkarm. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de aanwezigheid van breuksystemen in de ondergrond, waardoor kalkrijke zanden en kleien dicht aan de oppervlakte liggen. De bodem bestaat uit löss en, vooral in het oosten, uit zand. In het beekdal heeft de Geleen zijn eigen bodemmateriaal afgezet, een samenraapsel van elders weggeërodeerde bodemdeeltjes vermengd met veel organische bestanddelen. De zandbodems zijn door uitloging van nature voedselarm en drogen snel uit, de andere bodemtypen zijn rijk aan voedingsstoffen en houden het water beter vast. Daarnaast wordt een deel van de terreinen beheerd als weiland of hooiland, een deel is bos geworden.
Door deze vele verschillen ontstaan zeer veel verschillende biotopen die niet scherp van elkaar gescheiden zijn, maar vrijwel ongemerkt in elkaar overvloeien. Daar zijn biotopen bij, die elders niet meer of nauwelijks nog aangetroffen worden, zoals die op de kalkrijke lössbodems en die van voedselarme weilanden.
Elk biotoop biedt levensmogelijkheden aan bepaalde planten en dieren waaronder zeer bijzondere. Dit maakt de situatie ook kwetsbaar, want elke te onderscheiden biotoop (bijvoorbeeld kalkrijk moeras) komt maar op een zeer klein deel van het terrein voor. Verstoring van een stukje van het gebied kan dan ook het ter plekke totaal uitroeien van enkele soorten planten of dieren betekenen!

Flora en fauna.

Het natuurgebied blijkt ongelooflijk rijk te zijn. Elders in dit blad worden de planten en enkele groepen dieren uitgebreider besproken, hier slechts enkele woorden erover. Er zijn al meer dan 420 soorten hogere planten gevonden, bijna een-derde van alle soorten die in Nederland voorkomen. In de lente wordt men getroffen door de rijkelijk aanwezige voorjaarsbloeiers; een bronbos dat zover als het oog rijkt helder wit is door de bloeiende Bittere veldkers (Cardamine amara) zal men niet licht vergeten, evenmin als de honderden Orchideeën (Orchis maculata) die wat later bloeien. Een kenner verrukt zal zijn over de meer dan 20 Zeggesoorten, waarvan de in Nederland vrijwel verdwenen Gele zegge (Carex flava) de meest bekende is. Ook de Schubzegge (Carex lepidocarpa) komt hier voor, het is de enige groeiplaats van Nederland.
Het meest opvallende aspect van deze blauwgraslanden vind ik het voorkomen van vele soorten bosplanten op deze plaatsen, waar al sinds mensenheugenis geen bos meer gegroeid heeft. Een bos zonder bomen? Men zou het denken.
Mossen vormen een slecht onderzochte groep, maar zonder twijfel zullen er vele weinig voorkomende soorten aangetroffen worden. Ook paddestoelen zijn er in zeer veel soorten, door een kenner werden er tijdens enkele excursies meer dan 100 soorten gevonden. Een van deze soorten was slechts een keer eerder in Nederland waargenomen. Men schat het er voorkomende soorten op 400.

Een zo gevarieerd gebied moet rijk zijn aan diersoorten. De groep van slakken is goed onderzocht, van de circa 80 soorten die in Limburg aangetroffen kunnen worden, zijn er hier 40 gevonden. Daarbij zijn er, zoals het Naaldslakje, die men nergens anders in Nederland kan vinden.
Ook de vogels zijn met meer dan 100 broedende soorten goed vertegenwoordigd. Wanneer men in de lente de Kleine karekieten in het riet hoort krassen, is dat voor vele oren misschien geen melodieus gezang. Maar de kenner weet het weer: dit gebied is bijzonder.
De meeste Nederlandse roofdieren onder de Zoogdieren kan men hier aantreffen zoals Vos, Hermelijn, Bunzing, Wezel en Steenmarter. Voor de Das is het gebied te nat, een enkele exemplaar op doortocht is er wel eens waargenomen. Naar kleine zoogdieren is nog geen onderzoek gedaan, maar zonder twijfel zal ook dit nog wel tot verassingen leiden.
Er zijn minstens zeven soorten Amfibieën en Reptielen waargenomen, zoals de Bruine Kikker, Levendbarende Hagedis en de Hazelworm. Zeven soorten in zo’n klein gebied is weer uitzonderlijk te noemen.
Veel groepen zijn nog niet goed onderzocht. Het verhaal wordt eentonig, maar het is te verwachten dat bijvoorbeeld een inventarisatie van de insecten nog vele verrassingen zal opleveren.


De Kathager Beemden als beschermd natuurmonument.
Door een ministerieel besluit van 31 maart 1989 heeft het gebied een beschermde status gekregen. Op 1 januari 1990 is deze status definitief geworden.
De status houdt in dat veel zaken "vergunningplichtig" zijn. Uitgangspunt is dat alles wat schade aan het landschap, aan planten of aan dieren kan toe brengen, zowel binnen als direct buiten het natuurmonument, zonder toestemming van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verboden is. Te denken valt dan aan voor de hand liggende zaken, zoals woningbouw, maar ook aan het gebruik van meststoffen, het graven van greppels, egaliseren, het vellen maar ook het planten van bomen, enzovoorts. Daarnaast wordt de flora en fauna ook direct beschermd; planten mogen niet geplukt of uitgestoken worden, dieren mogen zelfs niet verontrust worden. Dit is maar een kleine greep uit de vele regels en regeltjes die in zo'n gebied van toepassing zijn.
Veel van deze zaken, vooral die de ruimtelijke ordening betreffen, zijn al via het gemeentelijk bestemmingsplan geregeld. Overigens werkt dit in de dagelijkse praktijk niet altijd even goed. Politiek gezien zal moet men de wil en de moed hebben de gebruiksvoorwaarden van de percelen, zoals die vastgelegd zijn in het bestemmingsplan, toe te passen. Aan de wil en moed schort het wel eens, en bovendien blijken een aantal van deze voorwaarden niet eenduidig te zijn. Daardoor zijn helaas zelfs ernstige overtredingen tot nu toe niet altijd terug te dringen.

Men zou kunnen denken dat het natuurmonument "af" is, er is al zoveel behouden dat het beschermen waard is, er is veel landschappelijk schoon en het geheel heeft een beschermde status door de toepassing van de wet op de Ruimtelijke Ordening, de Natuurbeschermingswet en enigzins door het toepassen van de Relatienota.
Dat blijkt niet waar te zijn. De Beemden, en daarmee hun flora en fauna, zullen sterk veranderen wanneer ze niet beheerd worden, terwijl te grote ingrepen direct een verarming van de planten- en dierenwereld veroorzaken. Er moet dus een evenwicht zijn tussen menselijk handelen en niets doen zijn, zodat er een gewenste stabiele situatie ontstaat. De optie "niets doen" en het gebied op natuurlijke wijze laten ontwikkelen wordt niet nagestreefd omdat het uiteindelijk resultaat dan een volledig bebost terrein is waarbij dan veel organismen zullen verdwijnen die in de rietvelden, de hooilanden, de ruige weilanden of het open water leven.
Het beheer van grote delen van het gebied wordt nu uitgevoerd door de Stichting Natuurmonumenten, het IVN-Nuth werkt hier aan mee. Het voortbestaan van de Kathager Beemden is nu wel verzekerd. En verder? De ontwikkelingen in het Geleenbeekdal gaan snel, veel terreinen worden overgedragen aan de Stichting Natuurmonumenten. Het zal niet lang meer duren of de Kathager Beemden zijn de kraamkamer voor een groot aantal nieuwe natuurgebieden.

 

 

 

IVN Limburg                                                                                           colofon

View My Stats