Het licht van een lamp glijdt over de balken. Veel balken. Met overal
kleine hoekjes. Het is warm, stoffig en donker. Bovendien moet je
in het donker niet naast het plankier stappen, want het is maar de
vraag of de bovenkant van de koepel het houdt als je er met je volle
gewicht op ploft.
Trouwens, om naar deze zolder te klimmen, loop je eerst een steile
trap op. Op de eerste verdieping houdt die op, en moet je een soort
plukladder op, om op de tweede verdieping uit te komen. Gelukkig
is die niet erg steil. De plukladder naar de zolder zelf is dat wél.
En waarom gaan mensen op een warme junimiddag rondstruinen op de
kerkzolder in Nuth? Waarom lopen ze niet in de natuur, te genieten
van de zon?
Omdat hierboven ook natuur is. We hebben verse vleermuispoep
gevonden, en willen nu wel eens weten waar de kolonie zich
verstopt. Bovendien
zijn we de zolder drie weken geleden ook al helemaal over geweest,
zonder iets te vinden – behalve poep. Maar nog steeds hangen
er geen vleermuizen aan de balken boven het schip van de kerk.
Dan spreekt Lou het verlossende woord ‘Ik heb ze!’. De
smiechten zitten bovenóp de nokbalk, en zijn daarom bijna
onzichtbaar. Alleen hun kopjes steken ze af en toe voorzichtig langs
de rand. Grootoren, onmiskenbaar Grootoren. De kolonie is weer terug.(Even
later vonden we, in het zoldergedeelte boven het hoogaltaar, nog
een eenzaam exemplaar aan een balk. Die liet zich keurig bekijken,
en wiebelde wat met zijn oren toen we hem recht in z’n gezicht
schenen. Ik gaf hem geen ongelijk – zo hang je lekker, zo sta
je in de schijnwerpers van de vleermuiswerkgroep).
Ook dit jaar is de tweemanswerkgroep Vleermuizen, niet gehinderd
door haar beperkte omvang, weer bij nacht en ontij, en dus ook
bij daglicht en zonneschijn, op zoek geweest naar vleermuizen.
Een impressie.
Een van de mooiste dagen voor iedere vleermuisliefhebber? De
dag waarop de dwerg- en watervleermuizen volop uit hun winterslaap
zijn ontwaakt, en hij op zijn detector het vertrouwde pliep-plop
en tik-tik-tik
weer hoort. Dit jaar liepen we achter huize Nierhoven, ergens
in
april, toen we beide soorten voor het eerst waarnamen. De fladderende
vlucht van de dwergvleermuis, boven de bomen en de vijvers, en
de regelmatige cirkels van de watervleermuizen, wat later toen
het donker
was, deden de vijf donkere maanden zonder vleermuizen snel vergeten.
Nog mooier was de ontdekking dat in de Hulsbergerbeemden, het
langgerekte hellingbosje tussen Wijnandsrade en Hulsberg, Baardvleermuizen
voorkomen. Hun typische jachtgedrag, op en neer vliegend boven
een bospad, konden
we op minstens vier nachten bestuderen. In het lamplicht was
de
witte buik mooi te zien, en ook de droge, wat doffe tikken op
de detector
pasten precies.
Het jaar bracht nog meer moois: tijdens de jaarlijkse controle
van een kolonie Laatvliegers bleek het aantal uitvliegers tot
83 te zijn
gestegen. Laatvliegers zijn grote vleermuizen, met brede vleugels
en een trage, uilachtige vlucht. Mooi was te horen hoe ze,
vlak voordat ze onder de dakrand uitkwamen, de omgeving al
roepende
verkenden.
Daarna lieten ze zich omlaag vallen, om met een elegante boog
weg te vliegen, in de richting van het bos. De bewoners en
omwonenden kwamen ook dit jaar weer kijken. Ze vinden het
nog steeds een
beetje
griezelig, maar worden ook steeds trotser op ‘hun’ kolonie
(bovendien heb je zo nog eens wat om over te praten op verjaardagsfeestjes...).
Het huis is trouwens zeer in trek, want ook een koppeltje Gierzwaluwen
overnacht onder de dakpannen.
Toen er eigenlijk al geen meldingen meer verwacht werden, kwam
er in augustus nog een bericht uit Wijnandsrade – waar achter
de gevelbetimmering van een modern huis veertien Grootoren vandaan
kwamen. Uitvliegende Grootoren zijn nieuwsgierig, en ze hadden best
in de gaten dat er drie mensen, en geen twee op het terras zaten
te kijken. Ze kwamen dus even vlak boven onze hoofden overvliegen,
om die derde eens even te peilen. Die bleek uitermate onschadelijk,
en dus maakten ze nog een cirkeltje door de tuin, om vervolgens hun
jachtgebied op te zoeken in de holle weg die tegenover het huisbegint,
en in de tuinen in de omgeving. Gelukkig mag de kolonie blijven,
en kunnen we volgend jaar juni een begin maken met het tellen ervan.
En nog was het niet uit met onze verwondering. De jaarlijkse
vleermuiswandeling bracht 37 geïnteresseerden op de been, waarvan 17 kinderen,
die je zag groeien toen ze de detector even mochten vasthouden. Jammer
genoeg regende het een beetje, waardoor alleen boven de oude mijnspoorweg
Gewone en Kleine dwergvleermuizen te zien en te horen waren. Die
vlak boven de hoofden van de deelnemers hun rondjes maakten, op zoek
naar insekten. Leuk – en heen en terug moesten we in het donker
door de modder waden. Kinderfeest.
De excursie had nog een aardig vervolg: we meenden een nog
niet eerder waargenomen vleermuissoort gehoord te hebben. Een
weekje
na de excursie,
toen we naar de brug over de Geleenbeek terugkeerden, bleek
dat te kloppen: zoals ik vorig jaar al voorspelde, konden we
de Ruige
dwergvleermuis
aan de vleermuisfauna van onze gemeente toevoegen. Meer dan
eenderde van de Nederlandse vleermuissoorten komt dus in Nuth
voor.
En als we erachter komen wat die vreemde vleermuis in die tuin
bij Nierhoven geweest is (middelgrote soort, brede vleugels,
rondjagend op ongeveer één meter hoogte, met glijvluchten om insekten
van het gazon af te plukken), dan kunnen we aan de acht bekende soorten
er misschien nóg een toevoegen. Dat wordt dan de verwondering
van volgend jaar!
En deze winter gaan we vleermuiskasten maken. Eens kijken wat
we daar volgend jaar in aantreffen. En wie weet wat we vinden
tijdens
de controles van de bunkers. Of de bietenkelder bij de kerk.
En, wie weet, vinden we ook nog een of twee vleermuisfanaten,
ergens
diep weggekropen in een huis in Nuth.