Wat is dat nu voor een titel zult u misschien denken, maar lees
rustig verder en u zult begrijpen wat er bedoeld wordt.
Op 17 juli stonden 10 IVN-ers klaar om naar Battice te vertrekken
voor een wandeling door het land van Herve en een bezoek aan het
daar gelegen fort. Op deze ochtend scheen het zonnetje nog maar de
wolken voorspelden niet veel goeds. Maar zoals u weet, we zijn niet
van marsepein en gingen desondanks welgemoed op pad. Via een omweg,
want ja, het lijkt wel of alle Limburgse wegen van een nieuwe asfaltlaag
voorzien moeten worden, arriveerden we om 9.50 uur te Battice.
Een bezoek aan het betonnen complex stond voor de middaguren gepland
maar eerst was het tijd voor een wandeling door een mooi en groots
landschap. Volgens onze gidsen Walter en Albert zat het saaiste stuk
aan het begin van onze tippel en zou het verderop spannender worden
(heren, hier achter mijn pc wacht ik nog steeds op dat saaie stuk!).
Want saai is een wandeling natuurlijk nooit met o.a. Walter en Thei
als gezelschap. Bomen, bloemen, altijd is er wel iets te vertellen,
zoals ook over de dode groene specht welke we in de bermrand vonden.
Als eerste ging het richting Thimister-Clermont waar we op een
kruispunt van wegen een kapel uit het midden van de achttiende
eeuw aantroffen.
De kapel was gewijd aan de H.Odile, zij die nog steeds aangeroepen
wordt, wanneer er sprake is van een oogziekte. Het gebouwtje werd
geflankeerd door een fraaie, oude kleinbladige linde.
Op voornoemd kruispunt stond een straatnaambord met de tekst ´chemin
des mesures´ en op de vraag wat betekent dit, kregen we het
volgende als antwoord; vroeger toen de marskramers met hun waar langs ‘s
Heren wegen trokken, moesten ze in ieder stad of dorp die
ze aan deden accijns betalen en om dit te omzeilen boden
ze hun
spullen
net buiten de stads- cq dorpsgrens aan. Zo ook hier en vandaar
de naam.
Steile hellingen wachtten ons gezelschap met, tot zo ver
men kon zien een glooiend landschap, weilanden met koeien
of landbouwgrond
ingezaaid met mais. Maar ook de grijze wolken werden zichtbaar
en daar deze steeds dikker werden, hielden we het helaas
niet droog.
Maar geen nood. Plots verschenen de paraplu’s, regenjassen
en dito capes. Er waren zelfs twee dames die zich hulden in XXL boterhamzakken
welke nog een kleurtje hadden ook. Maar aan elke bui komt gelukkig
een eind en konden we ‘plastic-loos’ weer verder.
Door het dorpje La Minerie, nu een klein gezapig plaatsje
waar vroeger
een steenkoolmijn geexploiteerd werd, ging het verder over
bospaden, holle weggetjes, bosschages en door weilanden waar
de koeien
ons sullig aankeken toen een aantal personen in ons gezelschap
nogal
stijvig over een hek moesten klimmen.
Alles in deze éne wandeling, we genoten volop van wat ons
geboden werd. Uiteraard was de lunchstop ook weer op een plek waar
je u tegen zegt. Het ganse land lag letterlijk aan ons voeten. Vlak
bij het dorp Charneux staat op een heuveltop een groot wit kruis
en daar kwamen onze voetjes even tot rust en konden we onze magen
vullen met de meegebrachte boterhammen , de koffie of andere dranken
want een stammenieke was in de verste verte niet te bekennen. Naast
het kruis stond een vooruitgeschoven bunker van het fort van Battice
gesierd met een Belgische vlag en een plaquette met foto’s
van vijf soldaten die hier het leven lieten toen de
Teutoonse horden ( ja, het staat er echt) het vaderland
binnenvielen.
Na de innerlijke mens versterkt te hebben moesten we
toch nog wel even in de versnelling want om twee
uur werden we door
de gids
verwacht. Langs bermen vol wilde bloemen, zoals
wilde valeriaan, grasklokjes,
kaasjeskruid, papaver, akkerdistel, divers klaversoorten,
stalkaars, damastbloem waar vele vlinders over heen
dartelden, werd het
fort precies op tijd bereikt. Onze gids was een
Duits sprekende 60+-er
die 35 jaar dienst gedaan had in de Bundeswehr.
Na een welkomswoord ging het ‘loos”.
-Als gevolg van
de Frans/Duitse oorlog in 1870 besloot de Belgische regering haar
verdediging te versterken
en realiseerde
men
oa. een fortengordel rond de steden Luik (om
de toegang tot de Maas
en de
Sambre ontoegankelijk te maken voor de Duitse
agressie) en Namen ( een belangrijk spoorwegknooppunt). Voor
WO I had
men 8 van
dergelijke forten gereed en gedurende de jaren
1934-1937 werden er nog eens
4 gebouwd, waaronder Battice. Het is een vijfhoekige
betonnen kolos met vooruitgeschoven bastions
en met rondom een 15
meter brede
en 5 meter diepe gracht. Het fort telt twee ingangen, éen die
direct toegang geeft tot het gebouw, een tweede ± 1200
meter verderop.
Tijdens vredestijd werd uiteraard de eerste toegang
gebruikt, de tweede in geval van gevaar. Dan
werd de eerste afgesloten
met een
zeer zwaar stalen hek, dubbele balkversperring
en achter de deur een valkuil van 4 meter diep. Achter
het geheel
stond in de gang
een Browning model 30 machinegeweer die de
indringers vol onder
vuur kon nemen. Een trap leidde naar het 30
meter onder de grond gelegen
gangenstelsel (2,8 kilometer lengte) vanwaar
de bastions te bereiken waren, waar de soldaten leefden en
recreeerden en waar uiteraard
ook alle munitie lag opgeslagen. In vredestijd
was
het garnizoen ondergebracht in houten barakken van de
bovenaardse kazerne,
van hieruit had men een toegang gegraven naar
de
ondergrondse galerijen.
Het eerste gedeelte was een ‘dubbele’ rutschbaan,
het tweede gedeelte een trap. Wanneer men ondergronds
verbleef werden
de gangen in overdruk gebracht. Wanneer het
ganse fort bezet was (ca 750 man) verbruikte
men 80.000
kubieke
meter lucht
per uur. Twee
grote stalen buizen dienden als luchtinlaat
en via een filterzaal ondergronds werd er voor
gezorgd
dat
de lucht gezuiverd werd.
De bewapening van het fort was enorm, twee
draaikoepels met ieder twee
120 mm kanonnen. Deze koepels hadden een diameter
van 6 meter, een dekpantser van 60 cm, wogen
210 ton en
hadden een bereik
van 17 km.
Drie andere bastions waren voorzien van ieder
twee 75 mm kanonnen (45 cm dik, 125 ton gewicht
en een
bereik van 10
km) en i.v.m.
veiligheid had ieder bastion een eigen ondergronds
munitiedepot. De nodige informatie
om de kanonnen te richten en evt. bij te stellen
tijdens het schieten werd verzameld door observatieposten
die
zowel binnen
als buiten
het fort lagen. Deze waren allen via telefoonlijnen
verbonden met het fort. Het fort doorstond
in mei 1940 een belegering
van 12 dagen
onder zwaar vuur van de Duitse artillerie en
de Luftwaffe. Een door een Stuka afgeworpen
bom die
terugkaatste,
veroorzaakte een zware
ontploffing in een van de gevechtposities,
waarbij 26 militairen sneuvelden. Het fort
gaf zich de
volgende dag over en alle
manschappen
werden voor vijf jaar in een krujgsgevangenkamp
opgesloten. De overwinnaars ontmantelden het
fort en gebruikten
een deel als
testterrein voor
nieuw wapentuig.
Er werd een totale ronde door het fort gemaakt.
Tussen de ‘kijk’lokaties
in al die ondergrondse gangen moest stevig doorgestapt worden. En
ja ,wat doe je dan, je begint een liedje te fluiten (de herkenningstune
van ‘Bridge over de River Kwai”) en zo ben je al een
heel eind op weg. We zagen het luchtsysteem met filterzaal, de 6
grote dieselgeneratoren voor de stroomvoorziening, de ondergrondse
slaapzalen, de kantine met fresco’s,
de officiersverblijven met dito mess en
ook hier weer diverse schilderingen,
het ziekenhuis, de keukens en ook de munitieopslagplaatsen.
Hier zagen we ook een soort raket, maar dat
was het niet. Het was een zgn. Röchling
granaat welke door de bezetter hier
uitgetest werd.
Een lang
smal projectiel
die in een
hoge boogvormige
baan op
het fort werd afgestuurd, hierdoor
kregen ze voldoende kinetische energie
om tot
in de ondergrondse
lokalen
door te dringen
(let wel 30-35 meter diep) en voorzien
van een explosieve lading brachten
ze een enorme ontploffing tot stand.
De sporen van de testen zijn
nog overduidelijk zichtbaar.
In tegenstelling tot het fort Barchon,
dat we vorig jaar bezochten, was de situatie
ondergronds
hier
totaal anders,
wel fris, maar
niet vochtig of bedompt. Hier kregen
bacterien,
schimmels en andere aanverwante
artikelen niet veel kans. In vredestijd
moet het m.i. daar nog wel gegaan zijn
maar tijdens
een aanval
zal
er zeker angst
en ontzetting
geheerst hebben. Na ondergronds de zaak
bezocht te hebben, klommen we op het
fort en zagen
een nog werkende
geschutskoepel.
Als afsluiting bezochten we het kleine
museum met vele foto’en
artefacten (het museum is gevestigd
in de bunker waar de afketsende
bom dood en
verderf zaaide).
Zo alles doorlezend zult u wel begrijpen
dat het een lang bezoek werd, veel
vragen werden
er gesteld
en onze gids was
duidelijk
aangenaam verrast door ons gezelschap.
Om 18.10 ( ja u leest het goed) namen
we afscheid van hem en besloot
we (10 – 2
= 8) nog iets te gaan drinken
op een terrasje in Aubel.
We hadden
het volgens
ons wel verdiend
en
namen er dan ook
uitgebreid de tijd voor. Om
20.15 was het gezelschap weer terug in het Voerendaalse.
Aan het eind van dit relaas ziet
u dat de titel klopt;
het gezelschap was
(helaas) klein, maar
de dag was (SUPER)
fijn.
Walter en Albert, namens
mijn mede-fort-bezoekers,
onzettend
bedankt. Lea Geelen