Dat was wel nodig op zaterdag 20 augustus, een dag
volop zon en een perfecte temperatuur. Met Wiel Curfs als gids
stond een wandeling
rond Dalhem op het programma. Met 20 gingen we op pad naar het gebied
dat eens bestuurd werd door de buren en rivalen van onze Hertogen
van Limburg, de Graven van Dalhem. Voor veel van de wandelaars waren
de termen ’het Land van Herve’ en de naam van de heersers
uit de 12e en 13e eeuw geen onbekenden meer. Bij het voormalig station
van Mortroux (een spoorverbinding naar Blegny) werd de auto in de
zon achtergelaten en ging het richting het gelijknamige dorp met
zijn vele huizen van kalksteen en waar de Ruisseaux d’Asse
rustig in een goot gelegen doorheen stroomt. Een wandeling door een
licht glooiend groen landschap volgde. Weilanden werden afgewisseld
met bossen waar het heerlijk toeven was.
Weg uit de stralende zon. De riviertjes de Bolland en de Berwinne
slingeren door dit gebied en we passeerden beide beken dan ook
meerdere malen. In Mortroux zagen we een watermolen met onderslagrad
stammend
uit 1819. De molen is niet meer bedrijf maar de installatie en
het waterrad zijn nog steeds aanwezig. Hier in de buurt zagen
we ook
de eerste vistrap, later zou er nog één volgen.
Rustig wandelend met af en toe een stop voor enige uitleg ging
het richting
Dalhem. Maar voor we daar waren doemde plots in het bos het kasteel
des Cortils.Vroeger een adelijke woning nu een plek waar een
leefgemeenschap een woonstek gevonden heeft. Een wellness-oord
waar natuur en mens
centraal staan. We brachten geen bezoek aan dit heilzame oord.
Op een weiland tegenover de ingangspoort van het complex stonden
een
aantal boerenkarren c.q. landbouwvoertuigen. Een uitnodigende
plek om ons hierop even neer te vleien en waar we het door ons
meegenomen
proviand goed lieten smaken.
Uit de wind en in de zon, een heerlijke plek om even wat te keuvelen
(wat onderweg natuurlijk ook al uitgebreid gedaan wordt)
of lekker even met je ogen dicht het zonnetje zijn werk laten
doen
en hopen
dat je er een lekker kleurtje van krijgt. Met een volle maag
ging het richting de residentie van de Graven van Dalhem. Hoog
boven
op een steile rots ligt het eens zo machtige kasteel, nu
rest er slechts
de indrukwekkende donjontoren met muren van wel drie meter
breed. Op waar eens de voorhof was, vindt men de overblijfselen
van twee
zware torens welke de ophaalbrug flankeerden. Gelukkig gloort
er hoop voor het oude gebouw. Op een groot bord aan de kant
van de
weg stond te lezen dat men doende was het slot iets van zijn
oude glorie
terug te gaan geven. Hoeveel dat moet gaan kosten stond niet
vermeld maar een stevige duit zal er zeker voor uitgetrokken
moeten gaan
worden.
-De naam graaf van Dalhem komt men in 1080 voor het eerst tegen
tesamen met de naam van Herman II van Lotharingen. Voor
die tijd sprak men
over het graafschap Voeren. In 1085 overlijdt Herman
en komt Theoderich I aan het bewind. Na hem nog meer Theoderich’s en een tweetal
met de naam Lotharius. Net als de acht hertogen van Limburg, met
de namen Hendrik en Walram, hadden ook de graven van Dalhem meerdere
gewapende conflicten met o.a. de aartsbisschop van Keulen en, hoe
kan het ook anders, de natuurlijk niet te vergeten hertog van Brabant.
Theoderich II moet het onderspit tegen deze twee heren delven en
in 1244 bij het Verdrag van Roermond komt het graafschap in handen
van de hertog van Brabant. In diezelfde eeuw overkomt dat ook de
landheren van het Land van Valkenburg, het Land van ’s Hertogenrade
en in 1288, na de slag van Moelingen, moet ook de hertog van Limburg
er aan geloven. Het gehele gebied gaat het land van Overmaze heten
en vormt samen met Brabant een personele unie. Na de Brabanders worden
achtereenvolgens de Bourgondiërs, de Habsburgers,
de Spanjaarden, de Oostenrijkers en de Fransen heer en
meester
in het gebied.
In 1815, na het congres van Wenen gaat het tot het Koninkrijk
der Nederlanden
behoren en sinds 1839 behoort het tot het Koninkrijk
der Belgen.-
Naast de nu grafelijke ‘vervallen’ woontoren bezit de
bovenstad van Dalhem een kleine maar mooie kern met 16e en 17e huizen,
allen gesierd met een fraaie gevel. Het geheel ademt een middeleeuwse
sfeer uit. Goed onderhouden optrekjes getooid met een overdaad aan
bloembakken met uitbundig bloeiende geraniums en aanverwante artikelen.
Ook vindt men hier in de bovenstad de kerk gewijd aan Sint Pancreas
met een toren uit 1714, terwijl schip en koor uit 1829 stammen. Een
statig gemeentehuis en een gebouw met de tekst ‘Le wichet des
Roses’ (afgeleid van het woord guichet wat luik betekent).
Het is een versterkte poort uit 1620, gerestaureerd in 1920, welke
naar de benedenstad leidt. Ook wij daalden via deze poort af en beneden
aangekomen stond ons, als was het maar even, een ietwat onaangename
verrassing te wachten. Twee dames in ons wandelgezelschap zagen de
steile klim naar kasteel en omliggende gebouwen niet zo zitten en
verkozen ervoor om langs de steile rots richting benedenstad te lopen.
De afspraak om elkaar onder aan de trap weer te ontmoeten was niet
zo heel erg handig, want men kon opmeerdere plaatsen afdalen. U kent
uiteraard het spreekwoord ‘vele wegen leiden naar Rome’.
Hier was het ‘enkele wegen/paadjes leiden naar de benedenstad’.
Nadat enkele heren in ons gezelschap naarstig naar
de verdwaalden op zoek waren gegaan, was het gezelschap
gelukkig snel weer
compleet en kon de tocht voortgezet worden. Hier
in Dalhem
kwamen we de
tweede vistrap tegen. Staande op de brug over de
Bolland had je er een goed
zicht op.
Terwijl we ons stonden te verwonderen over de hoogte
van de treden zagen we iets glinsteren. Wat dat
was. Wel
de vissen
dachten,
over die hoge treden, er kennerlijk exact hetzelfde
over. We zagen een
zeer grote school met vrij kleine vissen die
probeerden de treden te overwinnen, zo te zien ging het ze
niet al te gemakkelijk
af. Ja, op zo’n wandeling kom je van alles
tegen. Net na de bebouwde kom ligt het kasteel
van Cronwez,
riant gelegen
aan
de Berwinne.
Het ziet eruit als een oude burcht maar in werkelijkheid
is 1914 het bouwjaar. Het wordt gebruikt voor
culturele activiteiten, seminars, bruiloften
en partijtjes.
Dat laatste was nu het
geval.
Op het gazon
voor het kasteel stonden middeleeuws aandoende
tenten en er liepen enkele ridderachtige individuen
rond.
Of men nu
echt op de hoogte
was van de geschiedenis, ik heb zo mijn twijfels,
er liepen toch ook personen in kleding rond die
plus of
min enkele
honderden
jaren verschilden met de entourage. Al ge maar
leut heb, zullen we maar
zeggen. Op ons voorbijlopend gezelschap werd
ook niet echt enthousuiast gereageerd. Wij hadden
ons
eigen feestje,
sorry,
wandeling, en
vervolgden opgewekt onze weg.
Door de weilanden langs de Berwinne naar Trembleur.
Bij een kerk (vraag me niet de naam, want ik
ben mijn opschrijfpapiertje
ergens
tijdens de wandeling verloren) werd halt gehouden.
Nee, in
eerste instantie was het niet de bedoeling de
kerk met een bezoekje
te vereren, uit de ransel van gids Wiel kwamen
enkele glaasjes en
een fles Ransel’s
(=Ransdaal) water tevoorschijn. Het was tijd
voor een toost. Ook kwamen uit twee meegezeulde
dozen
zelfgebakken
wafels
tevoorschijn. Er werd genipt en gesnoept en tijdens
deze bezigheden stopte
een
auto en vroeg een heer of wij de kerk wilden
bezoeken. Hij was immers in het bezit van de
sleutel en had
er geen bezwaar
tegen
het Godshuis
voor ons te openen. Nadat deze vriendelijke heer
ook van de tractatie genoten had, ging de deur
voor ons open.
Na
dit bezoek werd er
langs weilanden en velden met hooggroeiend mais
teruggelopen naar de plek
waar we begonnen waren. Na de fijne wandeling
streken we neer onder de luifel van het restaurant,
gevestigd
in het
voormalige
station.
We lieten ons de heerlijkheden goed smaken en
waren het er over eens dat het wederom goed geweest
was.