Dat was waar
23 Voerendaalse IVN-ers met hun gids Olaf op den Kamp op die mooie
15e oktober door heen wandelden.
Zweifall was de plaats
waar we onze auto’s op een beschutte parkeerplaats achterlieten
om kennis te gaan maken met de leefomgeving van de bever.
Het gebied is een onderdeel van het Hürtgenwald en wordt doorsneden
door o.a. de Rote en Weisse Wehebach. Hier in het bos vindt men zowel
loof- als naaldbomen. In de broekbossen langs de beide beken vinden
we beuken, eiken en zwarte elzen en zijn wat je noemt inheems. Dat
kan niet gezegd worden van de sparren (Picea abies) welke na 1815,
toen de Pruisische koningen hier de scepter gingen zwaaien, massaal
werden aangeplant. de oorspronkelijke beuken-, eiken- en elzenbossen
waren voor die tijd grotendeels gekapt. Het hout werd door de mens
gebruikt als brandhout. Men wilde ruimte om een huis te bouwen en
ook voor de landbouw en het vee had men een plek nodig. Dus weg met
al die bomen. Er ontstond een open landschap met veel heide, brem
en gras. Zoals gezegd werd na 1815 het gebied herbebost met grove
dennen en fijnsparren. Het bos tierde welig en men gebruikte het
hout als brandstof maar ook de mijnindustrie maakte er gretig gebruik
van. Maar, met name in 1944 tijdens de Tweede Wereloorlog, ging het
met het bos opnieuw helemaal mis. Zware veldslagen vonden hier plaats
en het bos werd totaal vernield. Tot op de dag van vandaag ondervinden
houthakkers nog de naweeën van deze donkere periode wanneer
ze bij het kappen van bomen op granaatsplinters stuiten en er hun
zagen op kapot zien gaan. Na de oorlog begint men opnieuw met de
aanplant van fijnsparren maar na 1970 volgt gelukkig een kentering
en start men met het aanplanten van loofbomen. Ook begint men met
het uitdunnen van dichte aanplant waardoor er meer licht komt. Zaden
van loofbomen, die op de bodem liggen, kunnen kiemen en zo hoopt
men dat op de lange duur het oorspronkelijke bos zal terugkeren.
Al lopend kregen we hiervan al een voorproefje van een mooi stuk
beukenbos. Op diverse plekken waren de sparren verdwenen en de beuk
verschenen en konden we genieten van die fraaie bomen die al hun
herfsttooi begonnen aan te nemen. Kenmerkend voor beuken is dat door
het dichte bladerdak er weinig onderbegroeiing is. Door de wat kaalwordende
takken met rood- en geelgekleurde bladeren vielen zonnestralen. Het
gaf het bos een feeëriek aanzicht.
Op de wat nattere plekken zagen we Hangende zegge, Paardenstaart
en Schaafstro. En wat hoort er in de herfst ook thuis in
een bos. Juist…..paddestoelen.
En die vonden we in grote hoeveelheid, zeker met dank aan Sven,
de kleinzoon van Wiel Curfs. Voorzichtig kwam hij meerdere
keren met
een steeds fraaier exemplaar aanzetten.
Grote en gerimpelde aardster, parelstuifzwam, aardappelbovist,
tondelzwam en bij elke vondst had onze gids Olaf
wel een verhaal. Hij wees ons
op een heksenkring gevormd door nevelzwammen. En
ook de niet te versmaden cantharel stond vlak langs ons pad.
Vroeger
zeer veel
voorkomend
in dit gebied, maar ja, een delicatesse voor menig
fijnproever en in grote getale gaat de mens op zoek naar deze ‘boslekkernij’.
Verboden om ze te plukken is het niet maar doe het wel met mate en
neem geen kilo’s mee.
Olaf wees ons op de natuurlijke processen welke in
het bos plaatsvinden. Parasieten en saprofyten.
Allen doen
hun werk.
Door deze processen
weer toe te laten, verschijnen er kevers, torren
en zwammen. In de bomen komen weer zwarte spechten voor
die er hun
nest bouwen. Verlaten
ze het dan wordt het weer een thuis voor diverse
soorten vleermuizen. Wilde zwijnen en edelherten, langs de
beekjes steltlopers en
ijsvogeltjes
en in de beek natuurlijk ook weer amfibieën
zoals vroedmeesterpad, groene en bruine kikker,
vuursalamander, beekprik en rivierdonderpad.
Na al dit moois wachtte ons eerst een welverdiende
middagpauzestop in de zon met als zitplaats een
aantal omgevallen bomen
vol met zwarte knoopzwammen. En toen werd het tijd
voor het verhaal
van
de bever.
Oorspronkelijk leefden in Europa, dus ook hier
in de Eifel, bevers. Ze werden echter rond
de Dertig-jarige oorlog
(1618-1648) uitgeroeid.
Men gebruikte de pels van de dieren, men
at hun vlees
en ook ging het verhaal dat consumptie van het Bevergeil
(een product afgescheiden
door een klier in de buurt van de anus van
een bever) lustopwekkend
was. In de 80-er jaren van de vorige eeuw
vond de herintroductie van het dier plaats. 12 bevers
werden er uitgezet,
8 (uit Rusland)
afkomstig van een Beverfarm in Popielno in
N.O. Polen en 4 exemplaren welke in Polen in het wild
gevangen waren.
3 overleefden
de eerste
paar weken niet, ze vielen al snel ten prooi
aan o.a.
aan het
verkeer. De overige 9 vonden wel een plekje
en in 1993 was er een populatie
van rond de 60 dieren. De bevers hebben zich
in de omgeving verspreid en nu vindt men ze in het
stroomgebied
van
de Ruhr, in de Belgische
Hoge Venen en in de omgeving van Jülich en Düren.
Het leefgebied van een bever is tussen de 500
en 1500 meter lang en men vindt er meerdere
dammen
met soms
wel een lengte
van 100
meter. Langs de beek groeien eiken, beuken
en elzen en de bevers voeden
zich met de bast van al deze soorten maar hun
voorkeur gaat toch wel uit naar een sappige
beuk. Als het
niet anders kan
gaat een
populier en een wilg er ook nog wel in. In
het voorjaar doen de dieren zich
tegoed aan de Ruige Veldbies.
In de snelstromende beekjes bouwen de bevers
hun dammen, ze gebruiken vooral de hardere
houtsoorten
zoals
elzen en sparren.
Aan snel
wegrottend hout, denk aan wilg en populier,
heb je niet zo veel. Ben je nauwelijks
klaar met zo’n fraaie dam dan kan je opnieuw beginnen. Door
de bouw van een dam wordt het water van de beek opgestuwd en ontstaat
er een (gemiddeld 50-80 cm) diep meertje waar de bever heerlijk in
kan zwemmen maar ook kan hij in die poel een veilige burcht voor
zichzelf en zijn gezin bouwen. Een bevergezin bestaat uit een vier
tot vijftal dieren. De bomen die door de opstuwing van het water
met hun ‘voeten” erin komen
te staan sterven af.
Bevers zelf hebben we op onze tocht niet
gezien maar wel op zeer veel plekken
hun sporen; een
loopspoor, de vele
dammen, fraaie
poelen onstaan door voornoemde dammen
en ook bomen waar de dieren aan geknaagd
hadden. Er waren zelfs enkele exemplaren
waarbij je het idee kreeg “even
een duwtje” of “leunen tegen de stam” en
de boom valt om.
Het was een heerlijk wandeling met zoals
we gewend zijn van Olaf boordevol
met informatie. Als afsluiting
van
de wandeling
kwamen
we nog langs een grote paardenkastanje
welke
de naam “kartoffelbaum” of
in goed Nederlands aardappelboom
wordt genoemd. Als er regelmatig aardappels aan de
takken te
bespeuren
zijn,
is dat toch een
logische naam, nietwaar. Of deze
dingen er aan groeien? Nou nee, dat ook
weer niet. Het is een herinnering
aan vroeger tijden. Na de Tweede Wereldoorlog
werd er in dit gebied nogal gesmokkeld;
koffie, sigaretten en wat dies meer zij. Heel wat
smokkelaars werden
door het gezag
opgepakt
en gestraft. Niet alleen liepen ze
hierbij verwondingen op, maar liefst negen mensen
betaalden ervoor
met hun leven.
Op de plek
waar toendertijd de smokkelwaar overhandigd
werd,
staat nu deze kastanjeboom
geflankeerd door een kruis en een
gedenkteken.
Al snel werd na deze bijzondere boom
het bos verlaten en bereikten we de
parkeerplaats
waar
Olaf nadrukkelijk
bedankt
werd voor
de geweldig mooie wandeling en voor
al de info die hij met ons wilde
delen. Zeer
tevreden stapten we vervolgens in onze
vervoermiddelen om op weg te gaan naar
huis in de hoop dat
volgend keer Olaf weer
zoiets
voor ons in petto heeft.